Web Site Builder

Verhalen bij Pot en Pint

'Brabantse Folklore', nr. 59 januari 1931

In de jaren, voordat iedereen voor de televisie bleef zitten, zaten de mensen 's avonds op de stoep samen om de laatste nieuwigheden en oude roddels te vertellen.
De oudere vertelde steevast 'In onze tijd .. toen'
Hier  staan enkele verhalen die, in tegenstelling tot het hedendaags ongeloof, "echt en techtig" in Bertem plaatsvonden.
Ze werden opgetekend door een zekere Severius en gepunbliceerd in 'Brabantse Folklore', nr.59 januari 1931.

Volksgeneeskunde.

Om de krampen te doen verdwijnen, moet men twee galnoten op zak dragen. Tegen de speenziekte is het voldoende twee aardappelen in den tasch te hebben. Geelzucht geneest met het bloed van een levende mol op een linnen doekje te laten druipen en er zich mee te bestrijken.

Een algemeen bekende remedie, om zich van ziekten en slechte geesten vrij te maken is: op zoek te gaan naar de juiste tooverformule(sic) in een Pintjesboek (het toverboek in bezit bij priesters) en deze dan averechts lezen, maar het is een niet makkelijk werk, dat ook overvloedig den lezer zweten doet.

Van den Duivel die steelt.

Het gebeurde in Berthem voor een dertigtal jaren (1900), dat de brack (in Brabant algemeen genoemd "breuk") van een zekere Gilde bij nacht werd gestolen uit het huis van den hoofdman. Aldus werd verklaard door de belanghebbende, die er bijvoegde dat dien nacht een groot zwart beest was te zien geweest, in den vorm van een hond met groote pooten, en rond voormeld huis.

Dit beest of hond zou een kwade geest zijn geweest - men wilde hebben den duivel - in zulke gedaante veranderd en die de brack zou hebben gestolen.

De praatjes gingen daarover veelvuldig hun gang, zoals algemene regel op 't platteland.

't Ging zoover dat de Rechtbank er ten slotte moest tusschenkomen.

Het duurde lang vooraleer de menschen daarover hunne bepaalde meening dierven uitdrukken.


Het betooverde Paard.

Voor een halve eeuw, zelfs nog meer, werd er elken nacht in het huis van landbouwer B...., te Berthem, thans overleden, een zonderling gerucht waargenomen, nl. als katten, die op tafels en stoelen sprongen, muziek dat gehoord werd, enz.

Als de bewoners opstonden zagen ze niets. Pas terug te bed herbegon hetzelfde gerucht.

's Morgens als het paard in den stal moest gevoederd worden, stond het nat in 't zweet en als afgetobd, erger nog als zou het heel den nacht gewerkt en geloopen hebben.

Ging men 's nachts in den stal, dan vond men het dier met "gekepèrde" ( = gevlochten) manen en staart, prachtig opgetooid als voor een feest.

Nooit was er iets in den stal te bespeuren en zooals gezegd stond het paard bezweet en vermoeid op de morgen en de vlechtenwaren verdwenen. Ook hoorde men vele nachten op den zolder geklop en gerucht en durfden de bewoners niet naar boven gaan.

TUESSERS

Bertemse veekooplieden die vooral dagelijkse ritten per trein naar March en Famenne, Bastogne of Cimey maakten om daar vee te verhandelen, kopen en verkopen ter plaatse of het vee mee brachten per trein tot in Heverlee station en zo te voet het vee naar Bertem brachten. De tuessers deden ook de jaarmarkten van Begijnendijk, Leuven en Tienen. Als ze goede zaken hadden gedaan (480 tot 500fr winst) was het groot feest met bier of genever.

Toen ze na een jaarmarkt in Begijnendijk naar huis kwamen via de mechelse steenweg - waar toen veel kabardoeskes met rode, groene of blauwe lichtjes waren - zijn ze gestopt bij een van deze kabardoeskes. Ze maakten de stier, die nog in de vrachtwagen stond, los en gingen met de stier het etablissement binnen, waar ze rondje in het cafe maakten.

Een Sprookje uit mijn Dorp

'Brabantse Folklore', nr. 59 januari 1931

't Was in die lang vervlogen tijden, toen de goede  

Jean de la Fontaine de dieren deed spreken. Dit gezegd, begin ik mijn vertelsel.  

't Is nacht. De wind, in de Novemberlucht, raast  door de ontbladerde boomen, huilt in de schouw en fluit  als orgelpijpen aan de versleten deur, die knarst en kraakt in haar hengsels.  

Diktus en zijn vrouw Sybilla, zitten op een schabel  voor den haard, waar het hout, overwonnen door de vlam  die het omstrengelt, uiteenrijst in gloeiende kooltjes, die in de asch rollen. Scharlaken tongetjes vreten aan de houtblokken en vormen in den oven, met rood omzoomde kleine holten. Onophoudend vliegen de vuurspankels onder den schouwmantel, terwijl vreemde flikkeringen, op de muren fantastische gestalten doen dansen.  

De oudjes schijnen in een naren droom verzonken, in een droom, waarin men geesten ziet verschijnen ; en het  huilen van den storm, weerklinkt in hun ooren als het  luiden der doodsklokken.   

Opeens Diktus, uit zijn mijmering schietend : « Ha, zegt hij luid, als sprekend tot zich zelf, wat is zoo 'n leven, zoo 'n hondsleven toch waard ? Zacht en zoet voor de rij ken en onverbiddelijk voor de armen. Waarom zwoegen, zich afslaven van den vroegen morgend tot den laten avond? Waartoe dient het den grond te breken als men terzelfdertijd zijn knoken breekt? De aarde is een stiefmoeder. Van onzen oogst blijft er bijna niets meer over. Wat zal er van  

ons worden ? Ons lijf is uitgeput, onze ledematen verlammen, onze kale hoof den schudden, onze handen beven. Van den eenen kant diepe ellende en van den anderen ongehoorde weelde. Wij zijn de werkers, de slaven ; den bedelzak voor de armen ! De levensvreugde voor de rijken !.  




 Doch, wees er van overtuigd Sybilla, op het woord van den ouden Diktus, het zal uit zijn met ons ellendig lotNa een stilte, gedurende dewelke in zijn ruwen kop opstandige gedachten woelen, zegt hij : « Vrouw, ga me de zwarte hen halen »          

De hen wordt in den zak gestoken ; dan vertrekt de oude met den zak op de schouders en verdwijnt in de duisternis van dezen akeligen Novembernacht. Alhoewel de storm blijft razen, slaat hij toch den weg in naar het Recht, gevreesd kruispunt waar de galg staat. Daar knielt Diktus neder, strekt de armen wijd uit en doet de zwarte hen schreeuwen om den duivel te doen komen. De gedaante van het monster met de talrijke horens, verschijnt weldra op een rood lichtscherm, aan den voet van het straftuig. « Wie zijt gij ? Van waar komt Wat wilt gij van mij ? » zegt de duivel met zijn grafstem ((Ik ben Diktus, arme dienaar van den heer. Ik kom uit mijn hut, niet ver van de kapel van Vrouwe Johanna. Ik verzoek u een eind aan mijn slavernij te maken ». « Dit wil ik wel, zegde Satan, doch op een voorwaarde en die is, dat gij me hier morgen, op dezelfde plaats en op hetzelfde uur, een dier zult brengen dat ik niet ken. Indien gij hierin gelukt zullen de doode bladeren die rond uw woning liggen, in uw handen in mooie, zware, klinkende goudstukken ver anderen ».  

Het licht verdween en de arme man keerde terug naar zijn woning, waar Sybilla hem vol angst opwachtte. 

Diktus vertelt aan zijn vrouw, zijn tweespraak met den duivel. Dan opeens beginnen Sybilla's oogen te flikkeren als een weer licht : zij waant zich reeds rijk, rijker dan hun heer en meester Dombiez.   


Er blijft echter een onrustbarende vraag : Welk dier zou men aan den duivel kunnen aanbieden ? De oude somt al de minst gekende dier en op : de bunzing, het fluwijn, de geitenmelker De verlegenheid van Diktus groeit echter steeds, daar men weet dat de duivel alle dingen kent. Een poos. Dan opeens roept Sybilla uit, met de armen omhoog : « Ik heb het gevonden! Morgen zal ik u naar het Recht vergezellen indien gij zweert mij te gehoorzamen ».  « Ik zal gehoorzamen », zegt Diktus. « Toekomende nacht, alvorens de twaalf slagen van middernacht op de kapel zullen weerklonken hebben, zullen wij onmetelijke schatten bezitten. Uit met de slavernij ! Uit met de ontberingen en de ellende ! »  

Elf uur's nachts. In de kalm geworden lucht waarin  

de sterren fiikkeren, staat de gouden maansikkel, boven de sombere bosschen van het domein van den heer.Diktus staat juist op de afgesproken plaats met het dier dat eenig is in zijn soort. De duivel, die daar is, ontvangt de bezoekers ; daarna betast hij het dier over heel het lijf. (( Eigenaardig ! zegt hij, 't is een vogel en hij heeft vier pooten. Vreemd ! Hij heeft een zeer grooten mond doch geen hoofd. Nog meer, hij heeft een staart en een getand achterste. Ik geef het op. Diktus, keer terug naar uw hut, binnen enkele oogenblikken zult gij in het goud zwemmen ».  

Wat was er gebeurd ? Op bevel van Sybilla had Diktus het lichaan zijner vrouw ingesmeerd met dikke siroop en er dan pluimen op gestoken, die er bleven in plakken. Sybilla had dan op handen en voeten geloopen en haar lang hoofdhaar over haar schedel laten hangen.